maandag 3 juni 2013

Nonkel Jef

Vorige week,  op de ene zonnige dag die de week hem gunde, hebben we nonkel Jef begraven. In het crematorium zaten we op baksteenrode kussens in een halve cirkel rondom hem, in een stijlvolle ruimte die ze daar ‘aula’ noemden. Buiten de halve-cilindervorm deed deze aula in niets denken aan de leszalen waar de toehoorders tree na tree afdalen tot aan een onbezette klapstoel en waar doorgaans aan faculteitsoverschrijdend doceren wordt gedaan. De enige trede was vooraan, voor nonkel Jef. De man die ons naar de aula was voorgegaan, droeg een rokkostuum waarvan de lange panden deftig tegen zijn kuiten tikten. Nonkel Jef droeg ook een donker pak, met donkere das en wit hemd. Niet dat we hem konden zien, die informatie had ik van zijn weduwe, mijn tante. Omdat hij het zo gewild zou hebben, zei ze. Dat pak en die das waren jarenlang zijn uniform geweest. Nog lang nadat ze met pensioen waren gegaan en Brussel hadden verruild voor een dorpje ergens op het platteland, had hij elke ochtend een das onder zijn hemdskraag geschikt en dan pas zijn ochtendkoffie gedronken. Later had hij zich aangepast aan de vestimentaire geplogendheden van de buurt, maar het was geruststellend te weten dat hij daar nu toch in zijn donkere pak tussen ons lag. Met zijn bijna negentig jaar was hij altijd een knappe man gebleven. 
Toen we allemaal in de kussens zaten, het geschuifel en gefluister van hardhorige tachtigers – ze leven allemaal lang in onze familie – uitstierf en we niet meer naast de donkere kist met de bloemenkrans konden kijken, liet het jonge meisje achter de pupiter de muzakviolen wegdeemsteren en begon ze aan het gesproken deel van de ceremonie. Ze herhaalde waarom we hier samen zaten, wie we allemaal waren. Echtgenote, kinderen, familie, vrienden. Wij wisten dat allemaal wel maar ik denk dat zij nood had aan bevestiging. Je zal daar maar staan als jonge mens naast die kist in zo’n volle aula. Ze zei dat het oké was dat we rouwden om Jef, tot drie keer toe zei ze dat het oké was.  Ik ging niet akkoord. Ten eerste was het niet oké dat hij dood was en ten tweede was het niet oké dat ze dat taalregister opentrok in een aula die voor drievierde gevuld was met zeventigers en tachtigers. De vier kleinkinderen, jonge twintigers, hadden er evenmin een boodschap aan. Of we tijdens het volgende muziekstukje wilden denken aan wat Jef voor ieder van ons betekend had, vroeg de jonge dame waarop ze de aula weer overstroomde met violen. Sinds tante ons had gebeld met het slechtst denkbare nieuws, waren we al begonnen met denken aan nonkel Jef en aan hoe onze levens dooreen hadden gelopen. Niet zoals tante elk wanhopig lang uur van de dag en de nacht - er was tussendoor het werk en de kleinkinderen konden niet alle examens uitstellen - maar in zijn nieuwe, ongewone afwezigheid was nonkel Jef sterk aanwezig in onze gedachten en gesprekken. Nu ze ons dat vroeg, viel het ons niet moeilijk om daarmee door te gaan, ondanks de violen.

Hij was er altijd geweest, nonkel Jef, van voor ik geboren werd. Op de achterbank van zijn auto, tussen twee neefjes in,  kreeg  mijn tienjarige ik voor het eerst de lichten en lichtreclames van de grote stad te zien, wat van Brussels-by-night een sprookjesstad maakte. Onuitwisbaar was die indruk. Sindsdien had ik zelfs op Times Square of de Avenida Paulista aan nonkel Jef gedacht en aan de kokon van zijn auto die mij voor het eerst de grote stad binnenvoerde. Verder dacht ik ook aan het begrip standenverschil waarvan ik me pas bewust was geworden door – naïef, naïef - over hem en zijn werk te vertellen tegen klasgenootjes die uit een ander milieu kwamen dan het mijne.  ‘Ach, jij kent de Wetstraat ook? Hoe kom JIJ daar dan? (Elleboogstoten,  gegniffel) Zo, je oom is chauffeur (zijdelingse blik),  van senator X? (Meer gelach)  Mijn vader IS senator! ’ Toen was ik – naïef, naïef – gaan twijfelen aan nonkel Jef maar tussen toen en die dag in de aula was het al langer uitgemaakt wat nu precies de waarde van een mens bepaalt.  Kon nonkel Jef het helpen dat zijn vader een smid was en geen notaris? Ondertussen hadden nonkel Jefs kinderen allemaal  diploma’s en kansen zat en waren de chauffeurs zekerder van hun job dan de politici die ze vervoerden.

De violen zonken weg. Wat zou de dirigente van de aula weten te vertellen over de man die ze zo vertrouwelijk ‘Jef’ noemde. Het stoorde een beetje dat ze zo vlotjes deed met ‘wij’ en ‘Jef’ en ‘missen’, bij mijn weten hadden ze elkaar nooit de hand geschud en wist ze niets van zijn donkere pak. Helaas. Zij vertelde ook niets meer over zijn leven. Alleen dat hij verder leefde. Ik zocht naar een kruisbeeld in de aula. Geen Verlosser. Geen nieuw leven na de dood. Geen verrijzenis. Alleen woorden door een micro die er tegenaan schurkten. Gelukkig nam de dochter en daarna een kleindochter de micro in handen. Dochter zei ‘papa’, een woord als een hologram. Ze zei waar ze hem overal bij miste en waar ze hem overal zocht. Ze zei  ‘dank u papa’ en nog meer van alles wat ze hem bij leven niet genoeg had gezegd.  Kleindochter zei  niet te weten waar hij was en hem toch overal te zien, in de tram, in een auto die voorbijreed, in de schouders van een man op straat. We kuchten, frommelden  met zakken en zakdoeken. Wij zagen nonkel Jef, in donker pak, goedlachs, met zijn auto in de weer voor kinderen, kleinkinderen en al wie hem nodig had. Zonder violen.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten