Vorige week, op de
ene zonnige dag die de week hem gunde, hebben we nonkel Jef begraven. In het
crematorium zaten we op baksteenrode kussens in een halve cirkel rondom hem, in
een stijlvolle ruimte die ze daar ‘aula’ noemden. Buiten de halve-cilindervorm
deed deze aula in niets denken aan de leszalen waar de toehoorders tree na
tree afdalen tot aan een onbezette klapstoel en waar doorgaans aan
faculteitsoverschrijdend doceren wordt gedaan. De enige trede was vooraan, voor
nonkel Jef. De man die ons naar de aula was voorgegaan, droeg een rokkostuum waarvan
de lange panden deftig tegen zijn kuiten tikten. Nonkel Jef droeg ook een
donker pak, met donkere das en wit hemd. Niet dat we hem konden zien, die
informatie had ik van zijn weduwe, mijn tante. Omdat hij het zo gewild zou hebben, zei ze.
Dat pak en die das waren jarenlang zijn uniform geweest. Nog lang nadat ze met
pensioen waren gegaan en Brussel hadden verruild voor een dorpje ergens op het
platteland, had hij elke ochtend een das onder zijn hemdskraag geschikt
en dan pas zijn ochtendkoffie gedronken. Later had hij zich aangepast aan de
vestimentaire geplogendheden van de buurt, maar het was geruststellend te weten
dat hij daar nu toch in zijn donkere pak tussen ons lag. Met zijn bijna
negentig jaar was hij altijd een knappe man gebleven.
Toen we allemaal in de kussens zaten, het geschuifel en
gefluister van hardhorige tachtigers – ze leven allemaal lang in onze familie –
uitstierf en we niet meer naast de donkere kist met de bloemenkrans konden
kijken, liet het jonge meisje achter de pupiter de muzakviolen wegdeemsteren en
begon ze aan het gesproken deel van de ceremonie. Ze herhaalde waarom we hier
samen zaten, wie we allemaal waren. Echtgenote, kinderen, familie, vrienden. Wij
wisten dat allemaal wel maar ik denk dat zij nood had aan bevestiging. Je zal
daar maar staan als jonge mens naast die kist in zo’n volle aula. Ze zei dat
het oké was dat we rouwden om Jef, tot drie keer toe zei ze dat het oké was. Ik ging niet akkoord. Ten eerste was het niet
oké dat hij dood was en ten tweede was het niet oké dat ze dat taalregister opentrok
in een aula die voor drievierde gevuld was met zeventigers en tachtigers. De
vier kleinkinderen, jonge twintigers, hadden er evenmin een boodschap aan. Of
we tijdens het volgende muziekstukje wilden denken aan wat Jef voor ieder van
ons betekend had, vroeg de jonge dame waarop ze de aula weer overstroomde met
violen. Sinds tante ons had gebeld met het slechtst denkbare nieuws, waren we
al begonnen met denken aan nonkel Jef en aan hoe onze levens dooreen hadden
gelopen. Niet zoals tante elk wanhopig lang uur van de dag en de nacht - er was
tussendoor het werk en de kleinkinderen konden niet alle examens uitstellen -
maar in zijn nieuwe, ongewone afwezigheid was nonkel Jef sterk aanwezig in onze
gedachten en gesprekken. Nu ze ons dat vroeg, viel het ons niet moeilijk om daarmee
door te gaan, ondanks de violen.
Hij was er altijd geweest, nonkel Jef, van voor ik geboren
werd. Op de achterbank van zijn auto, tussen twee neefjes in, kreeg mijn
tienjarige ik voor het eerst de lichten en lichtreclames van de grote stad te
zien, wat van Brussels-by-night een sprookjesstad maakte. Onuitwisbaar was die
indruk. Sindsdien had ik zelfs op Times Square of de Avenida Paulista aan
nonkel Jef gedacht en aan de kokon van zijn auto die mij voor het eerst de
grote stad binnenvoerde. Verder dacht ik ook aan het begrip standenverschil
waarvan ik me pas bewust was geworden door – naïef, naïef - over hem en zijn
werk te vertellen tegen klasgenootjes die uit een ander milieu kwamen dan het
mijne. ‘Ach, jij kent de Wetstraat ook?
Hoe kom JIJ daar dan? (Elleboogstoten,
gegniffel) Zo, je oom is chauffeur (zijdelingse blik), van senator X? (Meer gelach) Mijn vader IS senator! ’ Toen was ik – naïef,
naïef – gaan twijfelen aan nonkel Jef maar tussen toen en die dag in de aula was
het al langer uitgemaakt wat nu precies de waarde van een mens bepaalt. Kon nonkel Jef het helpen dat zijn vader een
smid was en geen notaris? Ondertussen hadden nonkel Jefs kinderen allemaal diploma’s en kansen zat en waren de
chauffeurs zekerder van hun job dan de politici die ze vervoerden.
De violen zonken weg. Wat zou de dirigente van de aula weten
te vertellen over de man die ze zo vertrouwelijk ‘Jef’ noemde. Het stoorde een
beetje dat ze zo vlotjes deed met ‘wij’ en ‘Jef’ en ‘missen’, bij mijn weten
hadden ze elkaar nooit de hand geschud en wist ze niets van zijn donkere pak. Helaas.
Zij vertelde ook niets meer over zijn leven. Alleen dat hij verder leefde. Ik
zocht naar een kruisbeeld in de aula. Geen Verlosser. Geen nieuw leven na de
dood. Geen verrijzenis. Alleen woorden door een micro die er tegenaan schurkten.
Gelukkig nam de dochter en daarna een kleindochter de micro in handen. Dochter
zei ‘papa’, een woord als een hologram. Ze zei waar ze hem overal bij miste en
waar ze hem overal zocht. Ze zei ‘dank u
papa’ en nog meer van alles wat ze hem bij leven niet genoeg had gezegd. Kleindochter zei niet te weten waar hij was en hem toch overal
te zien, in de tram, in een auto die voorbijreed, in de schouders van een man op
straat. We kuchten, frommelden met zakken
en zakdoeken. Wij zagen nonkel Jef, in donker pak, goedlachs, met zijn auto in
de weer voor kinderen, kleinkinderen en al wie hem nodig had. Zonder violen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten