Zondagochtend 8u30. Een uur of wat geleden werd ik gewekt
door het gebeurrel van hongerige
koeien die gevoerd wilden worden. Nu is het onze beurt. We zitten met vijftien
rond een ellenlange tafel in een huis met de inspirerende naam La source des
bois. De ochtendgesprekjes kabbelen langs koetjes en kalfjes die minder vlees
om het lijf hebben dan die in de stallen en weides rondom dit huis. We worden
langzaam klaarwakker met koffie en thee. ‘s Ochtends sijpelt de bron, pas later
op de dag gaat ze krachtig borrelen. Het gekeuvel draalt even bij de muze en
haar nachtelijke bezoeken. Voor een goed begrip en om een of andere ‘dirty
mind’ tegen te gaan, hier in
Anlier-Vlessart komen veertien mensen gedurende zes dagen doen wat ze het liefste
doen: ongestoord schrijven en tussen de eenzame bedrijvigheid door, praten over
schrijven.
Het begrip ‘Eekhoorntje op lange weg’ passeert bij het ontbijt. O schande, ik hoor het voor het eerst. U begrijpt ook niks van die eekhoorn? Daar gaat het om. Overdag werkt de schrijvende mens hard en gedisciplineerd maar de nacht ziet hij graag als een grot van Ali Baba, mysterieus en veelbelovend. Een nachtelijke vondst schittert de Perseïden uit de hemel en doet juichen omdat de muze dan toch bestaat. Zij is sinterklaas en brengt lekkers mee voor de schrijver die ijverig zoet is, behalve als zij schrijft met vijftig tinten grijs. Excuus, ik wijk af.
Een en ander loopt vaak op een desillusie uit. Meestal is dichter of schrijver de geniale vondst ’s ochtends vergeten. Mnemotechnische middeltjes willen wel eens helpen maar daar heb je nog verdomd wat werk mee; tegen de tijd dat je in je hoofd dat huis hebt opgetrokken en in elke kamer een woord of zin te slapen gelegd, ben je zelf weer klaarwakker. Noteren blijft over als mogelijkheid. Maar hoe doe je dat zonder die warme donsdeken open te slaan of je bedgenoot chagrijnig te maken? De schrijver met de schat van Ali Baba, in dit geval Simon Carmiggelt, was erin geslaagd zijn nachtelijke vondst te noteren. ’s Ochtends las hij terug wat hij niet mocht laten schieten: eekhoorntje op lange weg. Het stond er, hij had het nog.
Daar stopte het. Waar die eekhoorn op de lange weg voor stond, wat Carmiggelt ermee aan wou, was achtergebleven in het duister van de grot. Op het notitieblokje naast mijn bed las ik vanochtend zoelplek. Goede poging, toch 1-0 voor Carmiggelt.
Het begrip ‘Eekhoorntje op lange weg’ passeert bij het ontbijt. O schande, ik hoor het voor het eerst. U begrijpt ook niks van die eekhoorn? Daar gaat het om. Overdag werkt de schrijvende mens hard en gedisciplineerd maar de nacht ziet hij graag als een grot van Ali Baba, mysterieus en veelbelovend. Een nachtelijke vondst schittert de Perseïden uit de hemel en doet juichen omdat de muze dan toch bestaat. Zij is sinterklaas en brengt lekkers mee voor de schrijver die ijverig zoet is, behalve als zij schrijft met vijftig tinten grijs. Excuus, ik wijk af.
Een en ander loopt vaak op een desillusie uit. Meestal is dichter of schrijver de geniale vondst ’s ochtends vergeten. Mnemotechnische middeltjes willen wel eens helpen maar daar heb je nog verdomd wat werk mee; tegen de tijd dat je in je hoofd dat huis hebt opgetrokken en in elke kamer een woord of zin te slapen gelegd, ben je zelf weer klaarwakker. Noteren blijft over als mogelijkheid. Maar hoe doe je dat zonder die warme donsdeken open te slaan of je bedgenoot chagrijnig te maken? De schrijver met de schat van Ali Baba, in dit geval Simon Carmiggelt, was erin geslaagd zijn nachtelijke vondst te noteren. ’s Ochtends las hij terug wat hij niet mocht laten schieten: eekhoorntje op lange weg. Het stond er, hij had het nog.
Daar stopte het. Waar die eekhoorn op de lange weg voor stond, wat Carmiggelt ermee aan wou, was achtergebleven in het duister van de grot. Op het notitieblokje naast mijn bed las ik vanochtend zoelplek. Goede poging, toch 1-0 voor Carmiggelt.
(Met dank aan muze Hilde P. voor het thema)