Ze zijn nog niet dood. Nog niet helemaal. Oud wrakhout zijn
ze, aangespoeld op een plek met nog meer wrakhout, hier in een uithoek van
Sesimbra. Achter zich weten ze de grijzigheid van de steile rotswand. Voor hen reikt het blauw van de zee, onbereikbaar
voor hen en hun afgeschreven leeftijdsgenoten.
De geur van vis is niet uit de lucht, net zomin als het gekrijs van de
eeuwig hongerige meeuwen, twee zekerheden in het leven die hun nog niet
ontnomen zijn.
Ritinha’s huid kent nog de kleuren van rood en blauw, ook al zijn
de wangen langs haar spitse neus ingedeukt en vertonen ze wrede sporen van
ouderdom en aftakeling. Metgezel Gusto, voluit Gusto de Sesimbra, is te veel,
te lang door zon en zeewater geloogd, ziet er ronduit miserabel uit. Uitgeleefd
zijn ze. Eenzaam. Elk seizoen wat meer krimpend in de zon. Hun aanblik gaat me
door merg en been, ik vergeet zelfs naar de grond te kijken om niet in de witte
meeuwenguano te trappen, of naar boven, waar de cirkelende vogels dreigen met relaxte
en nietsontziende sluitspieren.
Ritinha's en Gusto's laatste wachtplaats ligt niet ver van de haven waar
vissers uitvaren in nieuwe, dure boten vol 21ste-eeuwse
gesnuf. Ik kan haast horen hoe ze erover denken, Ritinha, Gusto en de andere afgedankten.
Hoe ze met hun laatste adem kankeren op Europa en Bruxelas, die hoofdstad met zijn landrotten van ambtenaren die
denken dat ze met wat ondoordacht gemikte verbas, die vermaledijde Europese subsidies, oude, kleine familieboten zoals zij uit
het water jagen, het botenkerkhof op, in een betonnen hoek naast het water,
tegen de grijze rotswand aan, sommige onder een afgedankte sprei van moeder-de-vrouw,
die het ook niet meer kon aanzien.
Van oudsher weten ze in dit visserstadje aan de overkant van
de Taag, op een boogscheut van Lissabon: varar
é morrer. Op het droge ga je dood.