woensdag 27 maart 2013

Overzet naar Lissabon


Overzet naar Lissabon

De overzetboot vanuit Cacilhas vaart recht naar het hart van Lissabon.  Tussen de stalen armen die de stad uitstrekt over de Taag ligt de Cais do Sodré. Met twee bruggen trekt Lissabon de andere oever naar zich toe. Of houdt die op afstand, het is maar zoals je het wil zien. De overtocht op het water is me liever dan het gedokker over een hoge brug. Daar zijn redenen voor. Dat een boot altijd meer reizen is (sic), bijvoorbeeld. Dat je fysiek voelt hoe de boot aanlegt en dat je de eerste stap op de andere oever bewust zet, al was het maar om je evenwicht niet te verliezen. Maar het meest nog om de brokken conversatie die je er meepikt. Ik beken, ik luistervink. Tersluiks en gretig. De luidste, meest hoorbare gesprekken worden altijd aangekondigd. Van alle tunetjes waarmee een telemóvel zich laat horen, is ook hier het ouderwetse gerinkel van telefoons uit de vorige eeuw het populairst. Ik kan niet níét luisteren naar die gehalveerde dialogen.. Wanneer ik ga zitten, is een vrouw op de rij achter mij bezig met een monoloog, Ze ratelt tegen een constante snelheid. Geen pauzes. Zij is de stem, aan de andere kant is er alleen oor. Ik hoor ‘polikliniek’ en dan nog veel meer over haar bezoek aan de polikliniek. Het rolt allemaal in een verontwaardigde gulp uit haar mond. Ze wordt verkeerd behandeld. Ze had nochtans zó vaak gezegd dat die medicijnen geen zier hielpen en dat ze een doorverwijzing wou voor het grote ziekenhuis in Almada daar zijn ze beter gespecialiseerd want die rugpijn houdt maar niet op, je moest eens voelen wat ik voel ’s avonds je houdt het niet voor mogelijk en die ene verpleegster die dikke norse je weet wel wie ik bedoel ik vertelde je laatst nog wat ze zei over maar dat heb ik al verteld nu had ze ook nog een verkeerd uur op haar briefje genoteerd en ik moest maar een nieuwe afspraak maken en op een andere dag terugkomen hoewel zij het fout had genoteerd ik weet toch wat ik hoor zeker en ik kan s nachts toch al niet slapen en dan nog moeten terugkomen, oh, ja, ja, als je wegmoet, ja dan, ik bel je dan later terug, dag hoor, kusje. Zucht, gemompel, stilte.
Ik kijk rond. Altijd zie ik op de boot mensen bij wie er een bestaan naar boven floept. Zo op het gezicht zijn het doodgewone, grijze mensen. Je ziet ze en toch ook weer niet. Tot een frons of een blik, een frase  tegen hun reisgezel of iets wat ze doen, hen duidelijk aftekent tegen de massa en er in mijn hoofd een verhaal getriggerd wordt. Bij deze overtocht is er de magere jonge man en zijn kleine, stevige, onopvallende namorada. Het is niet zozeer de hanekam van gelpieken boven zijn smalle gezicht of het contrast daarvan met zijn stille stem dan wel de manier waarop hij af en toe haar handen in de zijne neemt en ze wrijft. Niet streelt, wrijft. Ik weet wat ik zie. Het meisje met de verwende handen kijkt wakker uit haar ogen en vertelt van die ene keer dat ze met de school in Spanje was. Naar Lyon was ze niet meer mee geweest.  Zij vertelt niet waarom, hij hoeft het niet te vragen. Hij wrijft over haar handen. Ik bedenk dat hij geen geld heeft, geen opleiding, geen werk, geen kamer, geen bed dat hij haar kan bieden. Hij woont bij zijn grootmoeder, slaapt op de sofa. ‘s Avonds maakt hij het op met lakens en een deken - een bed met een kuil in het midden - maar pas nadat hij zijn grootmoeder in haar bed heeft gestopt,  zijn grootmoeder die tijdens de laatste telenovela van de dag is ingedommeld en bij de muziek van de eindgeneriek de ogen opent en plots blij gelukkig is omdat de jonge man waarmee ze trouwde en waarvan de foto met een zwarte rouwband aan de muur hangt, als bij wonder thuis bij haar op een stoel aan de tafel zit waar hij  een restantje noten van met Kerstmis kraakt. Op een stuk krant. Ja, oma, het is al goed, ik help je wel naar bed. Daarom kan hij zijn namorada alleen een hanekam met gelpieken  bieden. Hij kan zelfs niet naar het buitenland om daar te werken. Daarom wrijft hij haar handen terwijl ze over de Taag varen. De boot vaart altijd te snel van Cacilhas naar de Cais do Sodré. Hij houdt haar stevig vast met zijn smalle arm terwijl ze synchroon de eerste stap zetten op de beweeglijke ijzeren plaat die de boot uitstrekt naar de kaai, waarmee de boot op maat van de golfslag de stenen van de kaai schraapt, het geluid van de hoef van een ongeduldig paard dat beteugeld wordt. Later kijkt hij haar na, hoe ze van hem wegstapt in de gang naar de metro – de groene lijn, bij de eerste halte stapt ze over op de blauwe lijn, tot aan Marquês de Pombal waar ze werkt in de keuken van een hotel. Hij kijkt haar na tot ze op de roltrap naar beneden verdwijnt. Dan steekt hij tussen bussen en auto’s de straat over naar de mercado waar zijn tante een bloemenstalletje heeft. Soms moeten er kransen of boeketten geleverd worden en dan verdient hij wat. Na het sluiten van de markt helpt hij met de opkuis van groen blad en afgeritste bloemen, waarna hij de tram neemt tot in Belém. Als het meezit, kan hij wat ritselen bij het parkeren van de toeristenauto’s, een vrije plaats aanwijzen, er een munt, een halve of een hele euro voor krijgen. Alleen als de mannen, die daar jaar en dag staan, het toelaten, wanneer het regent en ze een koffie of een ginja gaan drinken,  of wanneer ze hoge nood hebben. Straks neemt hij met zijn namorada weer de boot naar Cacilhas vanop de Cais do Sodré. Het water is niet te diep, het is niet breed genoeg. Het aloude verhaal, duizend keer eerder verteld. Toch bedenk ik het opnieuw.
Van de Cais do Sodré stromen bootladingen passagiers naar metro, treinstation, bushalte. Ze lossen op in de belendende straten op weg naar de taken en plannen van de dag. Het hart van de stad stuwt het bloed naar aders met rails en kasseien. Ik loop richting Pra
ça do Comercio. Sinds een jaar of twee groeide een voorzichtige rand terrassen langs de strenge, winderige leegte. Alleen de bediening spreekt er Portugees. Een passant die de stad voor het eerst bezoekt, 
durft dát plein voor het hart van de stad  te nemen. Er komt een jonge man mijn kant op, geen gel of hanekam - mijn generatie zou hem niet onknap noemen - met nette kleren en schoenen. Hij steekt zijn hand uit, vraagt vriendelijk of ik een muntje voor hem heb. Geen werk, mevrouw.


2 opmerkingen:

  1. Mooi en beklijvend... mensenlevens, al dan niet verzonnen, die aan je lijf en leden blijven kleven.

    BeantwoordenVerwijderen